Vragen over van fraude beschuldigd Duits labo­ra­torium dat bijdrage levered aan de EU-beoor­deling van glyfosaat


Indiendatum: 3 mrt. 2020

Vraag met verzoek om schriftelijk antwoord E-001258/2020
aan de Commissie
Artikel 138 van het Reglement
Anja Hazekamp, Piernicola Pedicini

De betrouwbaarheid van commercieel onderzoek naar glyfosaat wordt nog steeds in twijfel getrokken. Het Laboratory of Pharmacology and Toxicology (LPT), dat onlangs wreedheden jegens dieren bleek te hebben begaan en dat voor de EU toelatingsstudies over glyfosaat heeft verricht, wordt nu ervan verdacht doelbewust onderzoekstudies te hebben vervalst. Naar het laboratorium is nu een onderzoek door de Duitse federale procureur-generaal ingesteld [1] .

1. Is de Commissie het ermee eens dat de toelating van glyfosaat nu lijkt te zijn gebaseerd op frauduleuze studies die de risico’s van het middel zwaar onderschatten en dat glyfosaat derhalve onmiddellijk moet worden verboden? Indien niet, waarom niet?

2. Is de Commissie, in het licht van het bovenstaande, niet ook van mening dat de huidige EU-regelgeving en handelspraktijken op basis van de OESO-beginselen betreffende goede laboratoriumpraktijken - met inbegrip van toezicht - geen afdoende waarborg bieden voor de betrouwbaarheid van de risicobeoordelingen van gewasbeschermingsmiddelen? Zo ja, wat wil zij doen om dit te verhelpen?

3. Welke waarborgen, naast de gewijzigde bepalingen van de algemene levensmiddelenwetgeving, gaat de Commissie invoeren in het licht van dit schandaal en wanneer gaat zij garanderen dat nooit meer studies van LPT zullen worden gebruikt voor besluiten van de EU inzake risicobeheersing, teneinde ervoor te zorgen dat onderzoek naar de veiligheid van glyfosaat betrouwbaar is?

[1] https://www.ftm.nl/artikelen/d...

Indiendatum: 3 mrt. 2020
Antwoorddatum: 6 jul. 2020

Antwoord van mevrouw Kyriakides
namens de Europese Commissie

In het licht van de beschuldigingen van fraude in het Laboratory of Pharmacology and Toxicology (LPT), die door de Duitse autoriteiten worden onderzocht, heeft het Duitse federale instituut voor risicobeoordeling (BfR) bevestigd[1] dat het momenteel geen reden ziet om het algemene resultaat van de EU‑beoordeling van glyfosaat ter discussie te stellen, aangezien de studies over glyfosaat die bij het LPT zijn uitgevoerd slechts een minderheid vormen van de vele studies die in de beoordeling zijn gebruikt (slechts 24 van de meer dan 900 in de EU‑beoordeling onderzochte studies). Belangrijk is dat geen van de bij het LPT uitgevoerde studies verband hield met de chronische toxiciteit van glyfosaat (de belangrijkste basis voor de beoordeling van carcinogeniteit[2]). Daarom zijn er momenteel geen redenen om de bestaande goedkeuring van glyfosaat in te trekken.

Laboratoria die bij hun onderzoek goede laboratoriumpraktijken (GLP) volgen, worden door de lidstaten regelmatig aan audits onderworpen. Die laboratoria moeten gedetailleerde gegevens bijhouden om de verificatie van de in de studieverslagen verstrekte gegevens mogelijk te maken. Het opzettelijk vervalsen en/of manipuleren van gegevens en verslagen door een individueel laboratorium bevestigt derhalve eerder de toepassing van het GLP‑systeem, dat via audits en onderzoeken tekortkomingen en frauduleuze activiteiten aan het licht brengt.

De Commissie is van mening dat de verordening betreffende de transparantie en duurzaamheid van de EU-risicobeoordeling in de voedselketen[3] de transparantie van het regelgevingssysteem verder zal verbeteren[4].

Het resultaat van het Duitse onderzoek zal bij de komende herziening van glyfosaat in aanmerking worden genomen. Bij de beoordeling zullen studies van het LPT waarvan bewezen is dat zij frauduleus zijn, buiten beschouwing worden gelaten.

[1] https://www.bfr.bund.de/cm/343...

[2] Drie door het LPT uitgevoerde studies hadden betrekking op mutageniteit, maar het BfR gaf aan dat voor de beoordeling veel andere studies uit verschillende bronnen waren geëvalueerd. Twee van de drie mutageniteitsstudies die door het LPT werden uitgevoerd, waren in‑vitro-Amestests (op een totaal van 16 van dergelijke tests die voor de beoordeling werden gebruikt), de derde was een in‑vivomicronucleustest (op een totaal van 11 van dergelijke tests die voor de beoordeling werden gebruikt).

[3] Verordening (EU) 2019/1381 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende de transparantie en duurzaamheid van de EU-risicobeoordeling in de voedselketen en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 178/2002, (EG) nr. 1829/2003, (EG) nr. 1831/2003, (EG) nr. 2065/2003, (EG) nr. 1935/2004, (EG) nr. 1331/2008, (EG) nr. 1107/2009 en (EU) 2015/2283 en Richtlijn 2001/18/EG (PB L 231 van 6.9.2019, blz. 1)

[4] Zodra de verordening op 27 maart 2021 in werking treedt.