Vragen over Kroatische regeringsvertegenwoordigers die herdenking oorlogsmisdadiger bijwonen

Vraag met verzoek om schriftelijk antwoord
aan de Commissie
Artikel 130 van het Reglement
Anja Hazekamp (GUE/NGL)

Op 29 november 2017 werd Slobodan Praljak door het Joegoslaviëtribunaal van de VN in Den Haag in hoger beroep veroordeeld tot twintig jaar gevangenisstraf voor oorlogsmisdaden en misdaden tegen de mensheid. Het Joegoslaviëtribunaal achtte Praljak verantwoordelijk voor gewelddadige etnische zuiveringen in Bosnië tussen 1992 en 1995. Direct na de uitspraak pleegde Praljak zelfmoord.

Op 11 december 2017 is de dood van Praljak in Kroatië officieel herdacht in aanwezigheid van twee ministers van de Kroatische regering(1).

1) Bent u het met mij eens dat het ongepast is dat een EU-lidstaat ministers afvaardigt naar de herdenking van een oorlogsmisdadiger die door een VN-tribunaal is veroordeeld voor oorlogsmisdaden en voor misdaden tegen de mensheid?

2) Is het gepast dat Kroatische regeringsvertegenwoordigers openlijk protesteren tegen de veroordeling van een oorlogsmisdadiger door het Joegoslaviëtribunaal, terwijl mensenrechten een centrale rol zouden moeten spelen in de Europese Unie?

3) Gaat u de Kroatische regering hierop aanspreken?

(1) http://www.balkaninsight.com/en/article/zagreb-commemorates-praljak-by-rejecting-verdict-12-11-2017

Antwoorden

NL

E-000146/2018

Antwoord van mevrouw Jourová

namens de Commissie

(17.4.2018)

De Commissie heeft de werkzaamheden van het Internationaal Straftribunaal voor het voormalige Joegoslavië (ICTY) tot de opheffing ervan eind 2017 altijd gesteund, en zij wijst nogmaals met klem op de noodzaak van volledige eerbiediging van de vonnissen van het ICTY en volledige samenwerking met de opvolger van het tribunaal, het Mechanisme voor de internationale straftribunalen. De Commissie geeft geen commentaar op individuele vonnissen.

Volgens het kaderbesluit ter bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat[1] moeten de lidstaten ervoor zorgen dat het publiekelijk aanzetten tot geweld of haat in het nationale recht strafbaar wordt gesteld. Hieronder vallen ook het verregaand bagatelliseren en vergoelijken van oorlogsmisdaden, genocide en misdaden tegen de menselijkheid gericht tegen een groep personen of lid van die groep die op basis van ras, huidskleur, godsdienst, afstamming dan wel nationale of etnische afkomst wordt gedefinieerd, wanneer zulks geweld of haat dreigt aan te wakkeren.  De nationale rechtshandhavings- en justitiële instanties zijn verantwoordelijk voor het onderzoeken en vervolgen van dergelijke gevallen.

Het is ook de primaire bevoegdheid van de lidstaten om het gevoelige en complexe vraagstuk te behandelen van de verschrikkingen en misdaden die in het verleden hebben plaatsgevonden.

[1]     https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=celex:32008F0913