Vragen over het Commis­sie­voorstel voor een vangst­quotum voor haring in het weste­lijke deel van de Oostzee, in strijd met advies inzake nulvangst, en de ontoe­rei­kendheid van het meer­ja­renplan voor de Oostzee om de vispo­pu­laties te herstellen


Indiendatum: 28 sep. 2020

In haar verslag COM/2020/0494(1) verklaart de Commissie dat het meerjarenplan (MAP) voor de Oostzee “voorziet in een stabiel langetermijninstrument voor de uitvoering van het GVB [gemeenschappelijk visserijbeleid] in de Oostzee, door [...] herstelmaatregelen voor bestanden onder druk te waarborgen”.

In het verslag wordt bovendien het volgende gesteld: “Voor onder druk staande bestanden, waarvan het aantal vissen in zee zo klein is dat ze zich onder gevaarlijke minimumniveaus bevinden, creëert het plan een vangnet. Het vangnet zorgt ervoor dat, voor bestanden die onder druk staan, de quota tot een minimum worden verminderd en aanvullende herstelmaatregelen worden genomen om ze weer op te bouwen.”

1) Kan de Commissie voorbeelden geven van populaties waarvoor dit vangnet voordelig is gebleken en die zich als gevolg daarvan hebben hersteld?

In 2018 kwam de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) tot de conclusie dat de biomassa van de populatie van haring in het westelijke deel van de Oostzee onder een gevaarlijk niveau was gebracht (Blim). De aanbeveling van de ICES was bijgevolg nulvangst. Overeenkomstig artikel 5, lid 3, van het MAP voor de Oostzee kan de Commissie de gerichte visserij opschorten als een populatie onder het B lim-niveau komt te liggen. Toch stelde de Commissie voor 2020 totaal toegestane vangsten (TAC’s) van 2 651 ton voor, en voor 2021 van 1 575 ton. Dit ligt aanzienlijk hoger dan de wetenschappelijke aanbeveling voor nulvangst.

2) Kan de Commissie uitleggen hoe deze TAC’s, die hoger liggen dan het duurzame niveau dat wordt geadviseerd op basis van de beste beschikbare wetenschappelijke kennis, beschouwd kunnen worden als een herstelmaatregel om de populatie weer op te bouwen?