Vragen over "Animal Expe­ri­ments: Non-EU testing"


Indiendatum: apr. 2020

Question for written answer to the Commission
Rule 138
Anja Hazekamp

According to the 2019 report on the statistics on the use of animals for scientific purposes, in the Member States of the European Union in 2015-2017 published on 7 February 2020, a total of 82,895 tests were conducted to satisfy the requirements of non-EU legislation, including 20,868 uses of rabbits (20% of all regulatory tests on rabbits), 5,180 guinea pigs, 46 uses of dogs and 45 uses of primates.

1) Could the Commission confirm whether any of the tests using rabbits were pyrogenicity, skin irritation or eye irritation tests where there are available non-animal alternatives in the EU?

2) Could the Commission explain why animals are being used for non-EU legislative purposes where there is an alternative method recognized in EU legislation and what it is doing to prevent this happening?

Indiendatum: apr. 2020
Antwoorddatum: 16 jul. 2020

Antwoord van de heer Sinkevičius
namens de Europese Commissie

Van de 20 686 tests op konijnen die in 2017 zijn verricht om aan de vereisten van niet‑EU‑wetgeving te voldoen, werden er 9 703 verricht voor het testen van pyrogeniteit, 108 voor het testen van oogirritatie/‑corrosie en 483 voor het testen van huidirritatie/‑corrosie.

In Richtlijn 2010/63/EU[1] wordt geen onderscheid gemaakt tussen tests om te voldoen aan de vereisten van EU‑wetgeving of aan die van niet-EU‑wetgeving. Zodra een methode of een teststrategie die de nodige informatie verschaft en geen gebruik van levende dieren inhoudt, krachtens de wetgeving van de Unie is erkend, mag geen gebruik meer worden gemaakt van procedures met dieren. De richtlijn is omgezet in nationale wetgeving en de lidstaten zijn verantwoordelijk voor de handhaving ervan.

In sommige gevallen hebben de alternatieve methoden, zoals die voor huid- of oogcorrosie/ ‑irritatie, beperkingen met betrekking tot de gevolgen die zij kunnen voorspellen, waardoor zij voor bepaalde stoffen of toepassingen ongeschikt zijn. Sommige resultaten voor het oogtests bieden nog geen uitsluitsel en vereisen een bevestigende in‑vivostudie, en voor sommige regelgevingsgebieden (bv. medische hulpmiddelen) zijn nog steeds dierproeven vereist. Voor biologische producten is een succesvolle productspecifieke validering van de alternatieve methode vereist voordat deze voor regelgevingsdoeleinden kan worden gebruikt. Dit is het geval voor de in‑vitropyrogeniteitstests.

De genoemde beperkingen kunnen gedeeltelijk verklaren waarom op die gebieden nog steeds dieren worden gebruikt.

De Commissie herinnert de lidstaten regelmatig aan hun wettelijke verplichtingen. Er zijn aanvullende richtsnoeren opgesteld en samenwerking tussen regelgevende instanties wordt aangemoedigd. Sommige lidstaten nemen specifieke maatregelen om de situatie te verbeteren. De Commissie heeft ook overleg gepleegd met het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA), dat in het kader van de tests uit hoofde van de verordening inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach)[2], een rechtvaardiging vereist voor het gebruik van dieren als onderdeel van de volledigheidscontrole van dossiers voor geregistreerde chemische stoffen.


[1] Richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PB L 276 van 20.10.2010, blz. 33, artikel 13, lid 1).

[2] Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) (PB L 396 van 30.12.2006).