Vragen over het uitsluiten van EU-subsidies voor stierenvechten bij hervorming landbouwbeleid

Vraag met verzoek om schriftelijk antwoord aan de Commissie
Artikel 130 van het Reglement
Anja Hazekamp

In antwoord op schriftelijke vragen E-000994-14 impliceert de Commissie dat boeren vrij zijn om met verkregen EU-subsidies vechtstieren te fokken. In antwoord op schriftelijke vraag E-005082/2016 stelt de Commissie daarnaast, dat de EU, door bepalingen in Verordening 1307/2013, niet mag uitsluiten dat directe betalingen gebruikt worden voor het fokken van vechtstieren.

1) Welke bepalingen moeten volgens de Commissie gewijzigd worden in -of toegevoegd worden aan- EU Verordening 1307/2013, om te voorkomen dat boeren EU-subsidies gebruiken om vechtstieren te fokken en bestaat de mogelijkheid om deze bepalingen toe te voegen tijdens de hervorming van het landbouwbeleid in 2020?

2) Bent u met mij eens dat het langdurig treiteren en mishandelen van stieren tijdens hun leven en het martelen van stieren voor hun dood in arena’s of tijdens fiesta’s als Toro de Fuego of de stierenrennen in Pamplona inbreuken zijn op EG-richtlijn 98/58/EG, die houders en eigenaren van dieren verplicht alle passende maatregelen te treffen om het welzijn van zijn dieren te verzekeren, te voorkomen dat dieren onnodig aan pijn of leed worden blootgesteld en dat hen geen onnodig letsel wordt toegebracht?

3) In hoeverre is de Commissie bereid brede minimumeisen voor dierenwelzijn te koppelen aan het verlenen van landbouwsubsidies aan de rundveehouderij?

Antwoorden

NL

E-002035/2018

Antwoord van de heer Hogan

namens de Commissie

(15.6.2018)

Het gemeenschappelijk landbouwbeleid omvat reeds een mechanisme ("randvoorwaarden") om directe betalingen te koppelen aan de naleving door landbouwers van basisnormen inzake dierenwelzijn (naast andere gebieden zoals milieu, voedselveiligheid, de gezondheid van dieren en planten).

De praktijken met betrekking tot godsdienstige riten, culturele tradities en regionaal erfgoed zijn echter nog steeds de uitsluitende bevoegdheid van de betrokken lidstaten. Bepalingen in die zin zijn opgenomen zowel in artikel 1, lid 2, onder b), van Richtlijn 98/58/EG[1], die minimumnormen vaststelt inzake de bescherming van landbouwhuisdieren, alsook in artikel 13 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Volgens de Commissie behoren de door het geachte Parlementslid gerapporteerde gevallen tot deze categorie dieren.

[1]     PB L 221 van 8.8.1998