Ontwerp­re­so­lutie over hormoon­ont­re­ge­lende stoffen: stand van zaken na het arrest van het Gerecht van 16 december 2015


1 juni 2016

ONTWERPRESOLUTIE

naar aanleiding van een verklaring van de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement

over hormoonontregelende stoffen: stand van zaken na het arrest van het Gerecht van 16 december 2015 (2016/2747(RSP))

Anja Hazekamp, Kate?ina Kone?ná, Lynn Boylan, Stefan Eck, Merja Kyllönen, Marie-Christine Vergiat, Marisa Matias, Paloma López Bermejo, Sofia Sakorafa, Maria Lidia Senra Rodríguez, Miguel Urbán Crespo, Lola Sánchez Caldentey, Tania González Peñas, Xabier Benito Ziluaga, Estefanía Torres Martínez, Ángela Vallina, Dimitrios Papadimoulis, Fabio De Masi, Marina Albiol Guzmán, Barbara Spinelli, Rina Ronja Kari
namens de GUE/NGL-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over hormoonontregelende stoffen: stand van zaken na het arrest van het Gerecht van 16 december 2015

(2016/2747(RSP))

Het Europees Parlement,

– gezien Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden(1),

– gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Derde kamer van het Gerecht) van 16 december 2015 in zaak T-521/14 Koninkrijk Zweden tegen Europese Commissie, betreffende het beroep wegens "Nalaten – Specifieke wetenschappelijke criteria voor het bepalen van hormoonontregelende eigenschappen – Het verzuim van de Commissie om gedelegeerde handelingen vast te stellen – Verplichting tot handelen",

– gezien artikel 168 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

– gezien de artikelen 265 en 266 van het VWEU,

– gezien artikel 17, lid 8, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 234 van het VWEU,

– gezien de brief van 22 maart 2016 die Commissievoorzitter Jean-Claude Juncker richtte aan de voorzitter van het Europees Parlement ((2016)1416502),

– gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat in artikel 1 van Verordening (EU) nr. 528/2012 bepaald is dat de verordening ten doel heeft de werking van de interne markt te verbeteren door de regels voor het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden te harmoniseren en tegelijk een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mensen en dieren en van het milieu te waarborgen;

B. overwegende dat de bepalingen van deze verordening gestoeld zijn op het voorzorgsbeginsel, dat ten doel heeft de gezondheid van mensen en dieren en van het milieu te verzekeren, met bijzondere aandacht voor kwetsbare groepen;

C. overwegende dat het verbeteren van de werking van de interne markt en van de wederzijdse erkenning van biociden voorspoedig verloopt;

D. overwegende dat de Commissie de gezondheid van dieren en mensen en het milieu moet waarborgen en hiertoe volgens Verordening (EU) nr. 528/2012 uiterlijk op 13 december 2013 gedelegeerde handelingen had moeten aannemen tot vaststelling van wetenschappelijke criteria voor het bepalen van hormoonontregelende eigenschappen van werkzame stoffen en biociden, met het oog op een verbod op schadelijke stoffen;

E. overwegende dat de deskundigengroep hormoonontregelende stoffen, die door de Europese Commissie opgericht is en door het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (JRC) gecoördineerd wordt, op 28 maart 2013 al een verslag had aangenomen over de belangrijkste wetenschappelijke vraagstukken met betrekking tot de identificatie en karakterisering van hormoonontregelende stoffen;

F. overwegende dat de Zweedse autoriteiten op 3 maart 2014 de Commissie hebben gevraagd op te treden, overeenkomstig artikel 265 VWEU, om de gedelegeerde handelingen vast te stellen;

G. overwegende dat de Commissie voornoemde gedelegeerde handelingen noch vóór noch na 13 december 2013 heeft vastgesteld;

H. overwegende dat het Gerecht in zijn arrest van 16 december 2015 in zaak T-521/14 stelde dat de Commissie een duidelijke, nauwkeurige en onvoorwaardelijke verplichting had om uiterlijk op 13 december 2013 gedelegeerde handelingen tot vaststelling van de voormelde wetenschappelijke criteria vast te stellen, onafhankelijk van een effectbeoordeling;

I. overwegende dat het Gerecht in punt 74 van zijn arrest ondubbelzinnig heeft verklaard dat geen enkele bepaling van Verordening (EU) nr. 528/2012 een effectbeoordeling van wetenschappelijke risicogebaseerde criteria voorschrijft, en dus het juridische betoog verwierp dat de Commissie aanvoerde om de vertraging bij het aannemen van criteria te rechtvaardigen;

J. overwegende dat de Europese Commissie, vertegenwoordigd door Eurocommissaris voor Gezondheid en Voedselveiligheid Vytenis Povilas Andriukaitis, tijdens de plenaire vergadering van het Europees Parlement van februari 2016 verklaarde dat een effectbeoordeling "een nuttig en zelfs essentieel instrument is om haar te leiden bij haar toekomstige beslissing over de criteria"; overwegende dat de Commissie van plan was om "ten eerste een uitvoeringsverordening in te dienen tot vaststelling van de criteria die zullen worden toegepast op de chemische stoffen die onder de gewasbeschermingsmiddelenverordening en onder de zogenaamde PRAC-procedure vallen, en ten tweede een gedelegeerde handeling tot vaststelling van de criteria die van toepassing zijn in het kader van de biocidenverordening";

K. overwegende dat voorzitter Jean-Claude Juncker in zijn brief van 22 maart 2016 aan voorzitter Martin Schultz herhaalde dat de Commissie voornemens is om eerst het advies van de Raad voor regelgevingstoetsing over de effectbeoordeling in te winnen, zelfs al stelde het Gerecht dat geen enkele bepaling van Verordening (EU) nr. 528/2012 een effectbeoordeling van wetenschappelijke risicogebaseerde criteria voorschrijft;

L. overwegende dat pas kan worden beoordeeld in welke mate de effectbeoordeling een invloed heeft gehad op de nog voor te stellen wetenschappelijke criteria als de effectbeoordeling en deze criteria openbaar gemaakt worden;

M. overwegende dat deze verklaringen en de aanhoudende nalatigheid van de Commissie getuigen van een voortdurende, aanhoudende en voortgezette inbreuk op Verordening (EU) nr. 528/2012 en op het arrest van het Gerecht van 16 december 2015 in zaak T-521/14;

1. betreurt dat de Commissie heeft verzaakt aan haar verplichting om gedelegeerde handelingen vast te stellen, zoals bepaald in Verordening (EU) nr. 528/2012;

2. brengt in herinnering dat hormoonontregelende stoffen een belangrijk aandeel hebben in neurologische ziekten en gedragsproblemen, borstkanker, endometriumkanker, eierstokkanker, prostaatkanker, teelbalkanker, schildklierkanker, een ongunstig verloop van de zwangerschap, genitale misvormingen, obesitas en diabetes type II;

3. wijst erop dat de Europese Commissie de plicht had de wetenschappelijke criteria voor het bepalen van de hormoonontregelende eigenschappen vast te stellen; wijst erop dat effectbeoordelingen volgens de richtsnoeren voor betere regelgeving bedoeld zijn om gegevens te verzamelen zodat beoordeeld kan worden of toekomstige nieuwe wetgeving of andere maatregelen van de Unie gerechtvaardigd zijn en hoe dergelijke wetgeving of maatregelen het best kunnen worden ontworpen om gewenste beleidsdoelstellingen tot stand te brengen;

4. is van mening dat middels effectbeoordelingen in kaart gebrachte beleidsopties in geen geval mogen meespelen bij de vaststelling van wetenschappelijke criteria betreffende hormoonontregelende eigenschappen of de gevolgen van bepaalde stoffen voor de gezondheid;

5. is uitermate bezorgd over de informatie die gelekt werd aan het actienetwerk tegen het gebruik van pesticiden (PAN Europa), omdat die erop wijst dat de vaststelling van de gedelegeerde handelingen tot vaststelling van wetenschappelijke criteria voor het bepalen van hormoonontregelende eigenschappen van werkzame stoffen en biociden op de lange baan is geschoven omdat handelsfunctionarissen van de VS druk hebben uitgeoefend in het kader van TTIP, het trans-Atlantische partnerschap voor handel en investeringen;

6. acht het betreurenswaardig dat de Commissie verzuimd heeft om op te treden na de oproep van de Zweedse autoriteiten in februari 2014 om de gedelegeerde handelingen binnen twee maanden vast te stellen;

7. benadrukt dat het Gerecht geoordeeld heeft dat de Commissie eventuele economische belangen moet loskoppelen van haar plicht om wetenschappelijke criteria vast te stellen voor het bepalen van hormoonontregelende eigenschappen van werkzame stoffen en biociden;

8. acht het onaanvaardbaar dat de Commissie, zelfs na het arrest van het Gerecht van december 2015, heeft verzuimd de gedelegeerde handelingen inzake de vaststelling van specifieke wetenschappelijke criteria voor het bepalen van hormoonontregelende eigenschappen van werkzame stoffen en biociden, vast te stellen;

9. wijst erop dat het Koninkrijk Zweden in de rechtszaak tegen de Commissie de steun kreeg van het Koninkrijk Denemarken, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Frankrijk, de Republiek Finland en het Europees Parlement;

10. benadrukt dat criteria voor het bepalen van de hormoonontregelende eigenschappen van werkzame stoffen en biociden onmiddellijk en onvoorwaardelijk vastgesteld moeten worden en gebaseerd moeten zijn op het voorzorgsbeginsel en op onafhankelijk wetenschappelijk bewijs;

11. benadrukt dat de Commissie verzuimd heeft om te voldoen aan haar verplichtingen op grond van Verordening (EU) nr. 528/2012, dat zij voorbijging aan het arrest van het Gerecht van 16 december 2015 in zaak T-521/14, dat zij daardoor naliet om de gezondheid van mensen, dieren en het milieu nauwkeurig te beschermen, en dat deze feiten uiterst laakbaar zijn;

12. wijst erop dat in artikel 83, lid 3, van Verordening (EU) nr. 528/2012 bepaald is dat de in artikel 5, lid 3, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde door het Europees Parlement of de Raad ingetrokken kan worden; benadrukt dat een besluit tot intrekking de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid beëindigt;

13. wijst erop dat de lidstaten zelf nationale criteria kunnen vaststellen en een verbod op schadelijke stoffen kunnen instellen zolang er geen geharmoniseerde criteria zijn;

14. benadrukt dat de effecten van een eventuele nieuwe rechtszaak tegen de Commissie beperkt zullen zijn, omdat een eventuele nieuwe uitspraak alleen kan bevestigen dat het verzuim van de Europese Commissie onrechtmatig is geweest;

15. erkent dat momenteel enkel politieke maatregelen van het Europees Parlement en de lidstaten leiden tot de bescherming van de gezondheid van mensen en dieren en van het milieu, zoals Verordening (EU) nr. 528/2012 bepaalt;

16. wijst erop dat het Europees Parlement het recht heeft om effectief te reageren op de houding van de Commissie in het kader van de politieke controle die het overeenkomstig artikel 14 VEU over de Commissie uitoefent; merkt op dat deze politieke controle kan leiden tot een motie van afkeuring jegens de Europese Commissie wegens een inbreuk op de Uniewetgeving;

17. merkt op dat door deze politieke controle de mogelijkheid bestaat om de in artikel 5, lid 3, van Verordening (EU) nr. 528/2012 bedoelde bevoegdheidsdelegatie van de Europese Commissie voor het bepalen van criteria voor hormoonontregelende stoffen in te trekken;

18. moedigt de lidstaten aan om in de tussentijd eigen criteria vast te stellen en de nodige strikte maatregelen te treffen, teneinde zelf de gezondheid van mensen en dieren en het milieu te beschermen, aangezien de Commissie weigert deze taak op zich te nemen;

19. roept de Commissie op om zich niet te mengen in maatregelen die op nationaal niveau getroffen werden om de gezondheid van mensen en dieren en het milieu te beschermen; roept de Commissie op om in dit verband geen onderzoek naar inbreuk te voeren noch een inbreukprocedure te starten, zoals zij deed tegen Frankrijk met betrekking tot bisfenol A;

20. verklaart in dit verband dat geen verdere vertragingen of nalatigheden van de Commissie aanvaard zullen worden door het Europees Parlement;

21. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

[1] PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1.